,
CKCSJ

BrailleLiga

 

Elke visuele gehandicapte persoon wil zich graag zo zelfstandig mogelijk verplaatsen. Door verplaatsingstechnieken aan te leren (met een lange witte stok bijv.) verwerft de blinde reeds een zekere "bewegingsvrijheid". Toch is soms ook een geleidehond noodzakelijk om hem de nodige zekerheid te geven om de hindernissen op straat te trotseren.

Het gebruik van een geleidehond vereist van de blinde persoon wel een zekere zelfredzaamheid bij het begin. De blinde moet zich dus in zekere mate al kunnen verplaatsen en oriënteren. Bovendien vervangt de geleidehond het gebruik van de witte stok niet.

 

Het africhten van een geleidehond gebeurt in drie fasen :

 

Als de pup 7 à 8 weken oud is, wordt hij toevertrouwd aan een opvanggezin. Dit gezin zorgt ervoor dat de hond een opvoedingsprogramma volgt waardoor deze leert wennen aan zijn omgeving, aan kinderen, aan andere dieren, aan het verkeer enz. Dit programma duurt 12 à 18 maanden. De eerste fase is dezelfde als deze voor niet-geleidehonden, namelijk het leren gehoorzamen in het algemeen en het opvolgen van fundamentele bevelen.

 

Na zijn verblijf bij het pleeggezin zet de hond zijn opleiding voort bij de Brailleliga. Gedurende deze tweede fase leert men de hond de specifieke technieken aan om de blinde op straat te begeleiden: stoppen en gaan zitten op de rand van het trottoir, hindernissen opsporen en vermijden door eromheen te lopen, leren wennen aan de verkeersgeluiden, de hoogte en breedte van een doorgang leren inschatten om te vermijden dat zijn baasje zich aan hindernissen stoot. De hond leert een eenvoudige maar doeltreffende woordenschat die zijn toekomstig baasje eveneens onder de knie moet hebben.

 

Tijdens de derde fase zal de hond zich vertrouwd maken met zijn baasje. De blinde persoon neemt geleidelijk aan de rol over van de africhter. De blinde en zijn geleidehond hebben ongeveer drie maanden nodig om aan elkaar te wennen en leren samen te werken.